Читаем Нидерландский шутя. 150 анекдотов для начального чтения полностью

De postbode had een brief voor een dame. Terwijl de dame de envelop opende keek hij stiekem mee:

– Hoe komt het dat er een leeg blad papier in zit?

– Dat is een brief van mijn broer, – antwoordde de dame. – We praten al jaren niet meer tegen elkaar!

Slechte manieren

(Дурные манеры)

Twee mannen zitten in een trein (двое мужчин сидят в поезде). Ze praten erover (они беседуют о том) hoe ze slechte manieren kunnen afleren (как они от дурных манер могут отучить). De ene zegt (один говорит):

– Ik ben bakker (я пекарь). Als er bij mij een leerjongen komt werken (когда ко мне приходит работать ученик: «учащийся мальчик»; leren – учить, обучать, преподавать; учиться, обучаться) mag hij zoveel snoepen als hij wil (он может столько лакомиться, сколько хочет; snoep – лакомство). Je mag er zeker van zijn (ты можешь быть в том уверен) dat hij na een week niets meer lust (что через неделю ему ничего не будет нравиться = все надоест).

De andere zegt (другой говорит):

– In mijn vak gaat dat niet (в моей профессии так не получится).

– Waarom niet (почему нет)? – vraagt de bakker (спрашивает пекарь).

– Ik ben bankier (я банкир)!

Twee mannen zitten in de trein. Ze praten erover hoe ze slechte manieren kunnen afleren.

De ene zegt:

– Ik ben bakker. Als er bij mij een leerjongen komt werken mag hij zoveel snoepen als hij wil. Je mag er zeker van zijn dat hij na een week niets meer lust.

De andere zegt:

– In mijn vak gaat dat niet.

– Waarom niet? – vraagt de bakker.

– Ik ben bankier!

Aan de noordpool

(У северного полюса)

In een dorpje aan de noordpool (в одной деревушке у северного полюса) loopt een onderzoek (проходит расследование) naar een inbrak in een iglo (по поводу кражи/со взломом/ в одном иглу /эскимосский дом/) De inspecteur die belast is met het onderzoek vraagt aan de verdachte (инспектор, которому поручено расследование: «который нагружен /с/ расследованием», спрашивает у подозреваемого; verdenken – подозревать /van – в/):

– Hebt u een alibi voor de nacht van 12 november tot 2 april (есть у вас алиби в ночь с 12 ноября по 2 апреля)?

In een dorpje aan de noordpool loopt een onderzoek naar een inbrak in een iglo. De inspecteur die belast is met het onderzoek vraagt aan de verdachte:

– Hebt u een alibi voor de nacht van 12 november tot 2 april?

Alpinisten

(Альпинисты)

Twee mannen beklimmen een berg (две мужчин взбираются на гору). Plotseling glijdt de ene uit (внезапно один поскальзывается; uitglijden – поскользнуться; glijden – скользить) en valt in een kloof (и падает в расщелину; vallen). De andere roept (другой зовет/кричит):

– Heb jij je pijn gedaan (ты тебе сделал больно = ты ударился; pijn – боль, pijn doen – причинять боль)?

– Nee, – antwoordt hij (нет, отвечает он). – Ik ben nog aan het vallen (я еще падаю: «я еще при падении /нахожусь/»).

Twee mannen beklimmen een berg. Plotseling glijdt de ene uit en valt in een kloof. De andere roept: – Heb jij je pijn gedaan?

– Nee, – antwoordt hij. – Ik ben nog aan het vallen.

Tegenvaller4

(Неудача)

Перейти на страницу:
Нет соединения с сервером, попробуйте зайти чуть позже